had ik maar

In de week van de poëzie heb ik een schrijfoefening gedaan. Op een blank stuk papier schreef ik bovenaan ‘wat ik nog begeer’. Daaronder schreef ik:

had ik maar, ja had ik maar een groter huis
een keuken met zo’n glad en strak fornuis
een designer koelkast en een magnetron
dán ben ik pas gelukkig, dán ben ik pas tevree
‘s nachts lig ik wakker en denk wat wil ik nou nog meer
ja dan weet ik het, dan weet ik het weer
een tweede huis hoog in de Spaanse Pyrinee
een parmantig koopmanshuis in Zierikzee en
daaromheen een tuin met zacht bemoste muren

sorry schildpad, sorry krab, sorry schol, sorry schar
sorry visjes in de zee, heus, ik leef heus wel met jullie mee
maar ik ben ook nooit, nee nooit ben ik tevree

ja had ik maar een Volvo of een BMW
nieuwe kleren en een inloopkast, een droger voor de was en
naar de tuin een pui die schuift, een wand van glas en
dat ik daar doorheen loop naar de bank op het overdekt terras
en wegzak in de kussens, zachte kussens op een hoop
of dat ik in het gras ga liggen, gewoon ga liggen in de zon en
denken dat als ik geld had wat ik daar dan allemaal mee kon

sorry schildpad, sorry krab, sorry schol, sorry schar
sorry visjes in zee, heus, ik leef heus wel met jullie mee
maar ik ben ook nooit, nee nooit ben ik tevree.

ja had ik maar wat geld, dan zocht ik met Cristina
in het centrum van een oude Spaanse stad
een chique hotel, lekker eten en een bad en
‘s-nachts op de nog warme pleinen, tussen ‘t trots Iberisch volk
gaan we uitgebreid dineren, kan ik haar ook eens flink trakteren en
lallend van de dikke rode wijn, onze buiken vol van ‘t schaamteloos consumeren
zullen we lachen, hardop zingen, eeuwenoude verzen reciteren.
‘Galatea ziet den dag komt aan, neen mijn lief wilt nog wat marren,
het zijn de starren, neen mijn lief wilt nog wat marren, het is de maan’
ja geld, geld dat’s fijn, dan ga ik naar Sevilla met de hoge snelheidstrein
dat mag, dat’s schoon, dat’s okee, dat’s bíj́na zonder CO2

sorry schildpad, sorry krab, sorry schol, sorry schar,
sorry visjes in de zee, heus, ik leef heus wel met jullie mee
maar ik ben ook nooit, nee nooit ben ik tevree.

Dit gedicht is verschenen als column in Wereldregio (week 6 , 2020)