Een Chinese ervaring

Begin jaren tachtig van de vorige eeuw volgde ik theaterlessen aan de Kleine Academie in Brussel. Meestal gingen we na school naar de Mort Subite, een café in ‘t centrum. Die zomermiddag ging ik alleen op stap. Ik kwam in een vreemd hoog gebouw terecht. Een oud gemaal? Ik ging naar binnen, aangetrokken door de wapperende banieren. Er was een tentoonstelling ingericht over Chinese zijdecultuur. In de immens hoge hal stond een reusachtig weefgetouw. Bamboestok voor bamboestok hadden ze het in China afgebroken en het hier, ver weg stok voor stok weer opgebouwd. Een huizenhoog weefgetouw van bamboe, een vernuftig kunstwerk, waarin het schoof en bewoog. Bovenin, zittend op wat bamboestokken, was een tengere man aan ‘t werk. Aandachtig bediende hij met blote voeten de pedalen. Als hij ergens een draad moest vastknopen bewoog hij zich behendig tussen de stokken door. Hoog boven mij zag hij er kwetsbaar uit, een koorddanser. Dit was zijn thuis, dit fijnzinnig woud van hout. Hier woonde hij. Zijn lijf het staketsel, hijzelf het kloppend hart.

Op de theaterschool kregen we iedere maandag een opdracht voor een solo. De daaropvolgende vrijdag volgde de presentatie voor publiek. Tijdens de opleiding wordt niet alleen ons spel, ook onze waarneming wordt gevormd. We worden gevoelig voor lichaamstaal door te werken met het neutraal masker. Het masker dat het gebruik uitsluit van tekst en mimiek. We leren zo het lichaam zélf te lezen. Het lichaam treedt op als dichter. Bovendien zoeken we ons thuis te voelen in de vraag, eerder dan in het antwoord. Waar kijk ik naar? Wat zie ik? Wat zegt het lichaam? We leren tekst en muziek als geluidsband te zien, als afzonderlijke betekenisdragers. Ook de solo in het oude gemaal had een eigen geluidsband. Met haar ontelbaar vele holtes vormde dit bamboeweefgetouw een wonderlijke klankkast. Bamboe stoot op bamboe, bamboe schuift langs bamboe, bamboe slaat op bamboe, bamboe draait in bamboe, bamboe piept, bamboe kraakt, bamboe schokt. Dit was de wonderschone solo van het weefgetouw in Brussel.

Vandaagdedag zijn er zeven miljard spelers bezig met een solo.
Zeven miljard spelers. Alleen en toch zo samen. Zeven miljard solisten! Zijn we zonder publiek? Zijn we zonder podium?
Oproep aan alle zeven miljard spelers: verzamel in uw machine al het zachte kijken, elke vriendelijke blik, elk warm gebaar. Spin daar zijdezachte draden van. Rijg uw tranen aan elkaar, houd ze vochtig, laat ze glinsteren. Pak de kettingen van verdriet, ga ermee omhoog, knoop ze vast. Klim omhoog en neem in het midden uw plaats in. Laat uw bamboebouwsel zuchten, kreunen, schokken. Werk, werk aan uw levenskleed, leg de draden, knoop ze aan elkaar. Weef, weef verder aan uw kleed, weef uw kleurig levenskleed.

Deze tekst is verschenen als column in Wereldregio (week 18, 2020)